In dit boek zet Jeffrey Wijnberg de traditionele hulpverlening op zijn kop. Van mensen in geestelijke nood wordt verwacht dat zij in de spreekkamer van de therapeut hun ziel en zaligheid blootleggen. De hulpverlener zelf verschanst zich achter een muur van zwijgen en wisselt dit af met machteloze vragen zoals: 'Waarom voelt u dat zo' of 'Wat houdt je tegen om hierover te praten?' of 'Ik proef irritatie in je stem, klopt dat?'. Wat telt is het op gang houden van het gesprek en het aanboren van emotionele reacties.
Zo ontdekte Wijnberg dat hij deze sociale omgang ook kon toepassen in zijn dagelijks leven. Zo staat hij b.v. in een supermarkt en observeert de persoon die voor hem staat en zegt: 'Chips, cola, bier, toastjes en kaas, dat wordt zeker een leuk feest vanavond?'. Hij bleef zich erover verbazen hoeveel mensen spontaan en positief op hem reageerden. Tegelijkertijd groeide ook zijn onvrede over deze nieuw verworven psychologische macht. Tijdens zijn stageperiode raakte hij dan ook in conflict met zijn supervisor, Eef, omdat hij een patiënt weigerde antwoord te geven op een simpele vraag, die luidde: 'Ik voel mij nogal eenzaam als eerstejaars en wil graag van u weten wat ik kan doen om uit mijn isolement te komen'. De reactie van Eef was: 'Wat maakt dat je je zo afhankelijk opstelt?' De jongen barstte in tranen uit: 'Ik heb al zo'n moeite anderen om hulp te vragen, dan doe ik het een keer en dan val ik gelijk in de categorie 'afhankelijke types'. Een ander groepslid schiet hem te hulp en wordt onmiddellijk door Eef de pas afgesneden en zegt: 'Ben je altijd zo moederlijk als je een jongetje ziet huilen?' Zij antwoordt: 'Wat is er zo verkeerd aan om iemand in nood een hand te reiken en wat is er verkeerd aan om moederlijke gevoelens te hebben?' Op deze vragen gaat Eef niet in en zegt: 'Er komt nogal veel los in de groep, hè?'
Wijnberg's reactie was dat Eef zijn macht als groepstherapeut misbruikte en dat hij zich verschool achter een muur van vragen en niet bereid was een echt gesprek aan te gaan.
Slimme hulpverleners zijn geneigd om deze kritiek te pareren met het argument: 'Het is ook de bedoeling dat de therapeut buiten schot blijft; het enige wat telt zijn de reacties van de patiënt'. De zwakte van dit argument is dat het relationeel (on)vermogen van de therapeut onaangetast blijft.
Gelukkig kan het ook anders door de provocatieve stijl, die hij in de rest van het boek stap voor stap in zijn essentie onthult, maakt de therapeut tot een actieve deelnemer in de relatie met zijn patiënt. Het direct uiten van gevoelens en gedachten door de therapeut wordt gezien als een voorwaarde om de patiënt te laten horen, zien en beleven hoe hij overkomt. De therapeutische relatie zelf wordt optimaal benut om de patiënt te confronteren met zijn afwijkende gedrag, zijn zelfdestructieve neigingen of problematische levenshouding.
Wie is kwetsbaar: de therapeut of de patiënt?
Tijdens zijn opleiding als psycholoog moest hij audio-opnames van therapiesessies aan zijn supervisor laten horen, maar mocht hij niet bij hem aanschuiven in de spreekkamer. Wijnberg weet dat het hard gesteld is, maar de praktijk leert dat het onvermogen van de therapeut wordt geprojecteerd op de patiënt. En zo kan de therapeut ontsnappen aan het risico zelf ter discussie gesteld te worden. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt herhaaldelijk dat mensen met psychische aandoeningen zelfs zonder therapie binnen een jaar weer volledig herstellen. Ook mensen met een chronische psychiatrische ziekte als schizofrenie blijken zelfstandig te kunnen wonen en werken en een betrekkelijk normaal leven te kunnen leiden. Slachtoffers van misdrijven, oorlog en andere rampen kunnen wel enorme psychische schade oplopen, maar diezelfde mensen hebben ook de veerkracht om hun wonden te helen of zelfs blijvend gewond toch deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer.
Het vallen en weer opstaan is al noodzaak in de kindertijd; en ook als volwassenen kunnen we er niet omheen om van tijd tot tijd even uit te huilen en weer opnieuw te beginnen.
Tegenslag is inherent aan het leven en daagt mensen uit om het gevecht aan te gaan. Sterker nog, mensen met de meeste tegenslag, zoals gehandicapten, armlastigen of minderheidsgroepen tonen dikwijls meer vechtlust dan mensen bij wie de wind gunstig waait. De traditionele hulpverlener lijkt zich niets aan te trekken van deze realiteit. Hij behandelt zijn patiënten alsof ze van porselein zijn.
De provocatieve stijl.
Wanneer je als therapeut je patiënt op een meer provocatieve manier wilt gaan benaderen, dan doe je dat als volgt: alles wat de patiënt kan, kun jij beter, alles wat de patiënt niet kan, doe je nog slechter. Kijkt de patiënt afwezig dan gedraag je je alsof je onder hypnose bent, blijft de patiënt in zijn verleden hangen dan ben jij er helemaal niet meer uit weg te slaan en stelt de patiënt dat we over alles kunnen praten behalve over zijn huwelijk dan is dat je enige gespreksonderwerp. Weigert de patiënt zelf een probleem aan de orde te stellen dan pak je een boek om te lezen of je legt hem omstandig uit hoe fijn het is om twee en een halve gulden per minuut te verdienen zonder er iets voor te hoeven doen. De provocatieve therapeut is anarchist, onruststoker, aansteller, toneelspeler, domme gans, neuroot en eventueel demente bejaarde als de situatie daarom vraagt.
De luie patiënt pakt hij daarom als volgt aan:
-Wat heb je voorbereid voor vandaag?
-Ja, niks speciaals. Ik had het zo druk. Ik weet wel dat ik het vorige gesprek belangrijk vond, maar ik ben even kwijt waar het in essentie over ging. Hoe zat het ook alweer?
-Vorige week ... was je er toen? Hmmmm, lijkt al zo lang geleden dat ik je gesproken heb, ik ben allang blij dat ik je voornaam nog weet.
-Ach, wat een onzin. U maakt toch aantekeningen, of niet soms?
-Jawel, als ik iets heel belangrijk vind, maar bij jou op de kaart ... waar heb ik dat ding....hmm
.... ja, hier..... op jouw kaart staat helemaal niets, dus kan het niet zoveel indruk op me gemaakt hebben.
En zo gaat hij nog een tijdje verder in zijn boek
Ik vind het een leuk boek en een echte aanrader voor zowel therapeuten als cliënten.
Jos Kok
Uitg. Uitg. Kosmos - Z &K Utrecht/Antwerpen
ISBN 90 2159910 4